nod   nod
13px 14px 15px 16px 17px 18px  

 Het lijden is geen mysterie.

Inleiding:
In de loop der jaren zijn er talrijke discussies gevoerd over de periode 1940-'45 en over de drama's die zich in die periode hebben afgespeeld, en dan met name over de drama's die binnen de Nederlandse grenzen hebben plaatsgevonden. Met name één plaatsnaam in Polen heeft in de periode 1940-'45 een speciale betekenis gekregen. Een naam die daarom nogal eens opduikt als de gesprekken zich (weer eens) bezighouden met het vraagstuk over de oorsprong van goed en kwaad. Ik doel nu op de vraag: “Waar was God in Auschwitz?” Als ik iemand die vraag hoor stellen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat God er (weer eens) mee ter verantwoording wordt geroepen. Dat Hem (alweer) wordt verweten dat hij destijds werkeloos heeft toegekeken, dat Hij al dat lijden maar heeft laten geworden terwijl Hij, naar de mening van velen, toch best wel eens wat van Zich had kunnen laten horen. Vreemd genoeg willen massa's mensen tegelijkertijd niet van Zijn bestaan weten. Ik heb echter ook eens als simpel antwoord op de vraag: “Waar was God in Auschwitz?” gehoord: “In Auschwitz!”
En God was inderdaad in Auschwitz, zoals Hij overal is en ook overal vanaf weet en getuige is van al het lijden dat in deze wereld plaatsvindt, hoewel we daar maar zelden bij stilstaan. Dit doet me weer terugdenken aan de conclusie die we destijds trokken als dit onderwerp in de huiselijke kring ter sprake kwam. Die luidde als volgt: “Als wij gedurende 24 uren zouden moeten aanschouwen wat er op deze wereld allemaal gebeurt aan onrecht, ellende, ziekten, wreedheden en moorden, en waarvan God dagelijks getuige is, zouden wij gillend van radeloosheid wegrennen”.

Door wat er sinds mensenheugenis zo gruwelijk fout is gegaan en door de onmenselijke wreedheden die de mens op zijn geweten heeft werd de vraag: “waarom?” een te vaak gehoorde aanklacht tegen onze Schepper. Met als gevolg dat onze Schepper, door zo menigeen in de beklaagdenbank gezet, vervolgens maar eens moet aantonen dat Hij vrijuit gaat. En daarom wil ik op deze pagina aantonen dat onze Schepper geen blaam treft.
 

Een vergeten boodschap.

Het probleem is allereerst dat de mens in zijn algemeenheid snel geneigd is om, in een tijd van lijden en tegenslag, zijn eigen fouten en huichelachtigheid weg te moffelen om vervolgens met een gebalde vuist naar de hemel te staan wijzen. Het is toch wel opvallend dat men God dan opeens wel weet te vinden terwijl Hij er anders maar al te vaak niet bij betrokken wordt, zolang het de mens maar voor de wind gaat (ook bij kinderen Gods komt dit voor!). En als het niet loopt zoals men het graag wil hebben dan weet men opeens precies te vertellen wie daar achter zit. Wat een vreemd gedrag. Het komt overigens wel opvallend overeen met wat ik lees in Spreuken 19:3: “Des mensen eigen dwaasheid verderft zijn weg, en dan is zijn hart gramstorig op de Here.
De rechtvaardige Job, die zelf wist wat lijden is, had al door dat de mens in een rechtszaak geen partij is voor zijn Schepper, zoals hij liet blijken in Job 9:2,3: “O zeker, ik weet wel, dat het zo is, hoe zou een sterveling gelijk hebben tegenover God? Indien Hij met hem wilde gaan rechten, niet een op duizend (vragen) zou hij Hem kunnen antwoorden”. God kan meer vragen stellen dan wij kunnen beantwoorden, op iedere vraag van ons heeft Hij daarentegen wel een antwoord. Veel van die antwoorden kunnen we in de bijbel vinden. Vreemd genoeg staan veel mensen bij hun vraag naar het waarom van het lijden wel met een verwijtende blik naar de hemel te turen maar laten ze het na om die bijbel binnen handbereik open te slaan. Terwijl Jezus Christus ons in die bijbel al sinds vele eeuwen een evangelie heeft nagelaten dat op al die vragen een antwoord heeft. Na -tig eeuwen evangelie vraagt men zich dus nog steeds af hoe dat nou toch zit met dat lijden. De religieuze en theologische wildgroei die de “kerkgeschiedenis” heeft vervuild heeft als resultaat dat het evangelie van Jezus een vergeten boodschap is geworden. Met alle ellendige gevolgen van dien.

 

Een rookgordijn.

Het is me meer dan eens opgevallen dat veel mensen de nare gewoonte hebben om geen genoegen te nemen met simpele antwoorden op simpele vragen, met name als het vragen zijn over geloofszaken. Een te simpel antwoord wordt maar al te gemakkelijk weggehoond of genegeerd. Vooral in die gevallen waarbij het antwoord op de gestelde vraag de vraagsteller confronteert met de eigen onwil of huichelachtigheid als het gaat over het niet willen aanvaarden van wat de bijbel over veel zaken heeft te zeggen. Bij ingewikkeld gemaakte problemen, vindt men, horen ingewikkelde antwoorden. En dat komt helemaal goed uit als die ingewikkelde antwoorden datgene verdoezelen wat men eigenlijk niet wenst te horen.
Zo komt het dat de christenheid sinds de hemelvaart van Jezus is overspoeld met talloze theologische verhandelingen en constructies die in veel gevallen door hun ingewikkeldheid en ondoorgrondelijkheid de eenvoudige boodschap van Jezus' evangelie compleet of voor een groot deel achter een rookgordijn doen schuilgaan. En dat is jammer, want dat maakt het leven zo onnodig ingewikkeld. Helemaal wanneer men zich het hoofd breekt over de “ongemakken des levens” en al het andere dat een mensenleven zo grondig kan verzieken.

De boom der kennis van goed en kwaad.

Het begin van alle ellende vinden we in Genesis 3 waar zich rond een boom een ondertussen welbekend drama afspeelt. In Genesis 3:6 lezen we: “En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at”. De ongehoorzaamheid aan Gods verbod was een feit. En daarmee was niets meer zoals het oorspronkelijk was. Waarop de mens van onze Schepper te horen kreeg: “Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft” (Genesis 3:17).

Dit drama van de zondeval herhaalt zich sinds het eerste mensenpaar ontelbare keren. Zonde is het afwijken van Gods principes en dit heet ongehoorzaamheid. Wat hetzelfde is als gehoorzaamheid aan de tegenstander van God, de satan. Waar als gevolg van ongehoorzaamheid Gods principes worden verruild voor die van de satan treden er héél andere wetten in werking, waardoor de ellende begint.
Talloze malen werd al aan het volk Israël duidelijk gemaakt dat er problemen zouden opduiken als het volk zou afwijken van de geboden en regels die het van Jahweh had ontvangen. Zolang men zich hier wel aan hield zou het hen goed blijven gaan. Alleen al in het boek Deuteronomium zijn de volgende waarschuwingen te vinden:

 

Een redelijk denkend mens zal zich dus wel minstens drie keer bedenken voordat hij zichzelf een hoop rottigheid op de hals gaat halen door van Gods geboden af te dwalen. Door het volk Israël werd dan ook diverse malen plechtig beloofd dat het al die geboden ook zou gehoorzamen, zoals we kunnen lezen in:

 

De geschiedenis van het volk Israël leert ons echter dat deze schone beloften niet lang hebben standgehouden. En dat het met de beloofde gehoorzaamheid van dat volk vies is tegengevallen. De gevolgen van die ongehoorzaamheid zijn dan ook niet uitgebleven. Ook daarvan staat het Oude Testament vol. Een nogal eens gehoorde misvatting is dat de mensheid van de fouten van vorige generaties kan leren maar nog nooit heeft de mensheid iets geleerd van wat vorige generaties ons al voordeden. Ook de verschrikkingen van de “tweede” wereldoorlog hebben niet kunnen voorkomen dat in de jaren sindsdien de wereld bij voortduring door vele oorlogen, conflicten, aanslagen enz. is opgeschrikt. Wat niet verbazingwekkend is, want in Matth. 23:25,26 liet Jezus deze waarschuwing al horen: “Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij reinigt de buitenzijde van de beker en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid. Gij blinde Farizeeër, reinig eerst de inhoud van de beker; dan zal hij ook van buiten rein worden”. In vers 27 doet Hij er nog een schep bovenop: “Wee u, schriftgeleerden en Farizeeen, gij huichelaars, want gij gelijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid.” Zolang de mens geen boodschap heeft aan het evangelie van het Koninkrijk Gods is hij slechts een beker die aan de buitenkant wordt opgepoetst. Of een schuilplaats van de dood. Want aan de binnenkant is nog steeds dezelfde rotzooi en viezigheid te vinden. En juist daarom is de wereld nog steeds vol ellende.

Zoals het Nieuwe Testament ons inzicht geeft in het evangelie van Jezus en ons de noodzaak leert van de gehoorzaamheid aan Zijn woorden, zo vinden we ook in het Oude Testament uitspraken die de wereld zouden kunnen veranderen ten goede als de mens zich deze eens ter harte zou willen nemen. Een voorbeeld hiervan uit Spreuken 4:

  1. Hoort, zonen, de tucht van een vader, en weest opmerkzaam, om inzicht te verkrijgen,
  2. want ik geef u goede leer; verlaat mijn onderwijzing niet.
  3. Want toen ik nog als zoon bij mijn vader was, teder en een enig kind voor het aangezicht van mijn moeder,
  4. onderwees hij mij en zeide tot mij: Laat uw hart mijn woorden vasthouden onderhoud mijn geboden, opdat gij moogt leven.
  5. Verwerf wijsheid, verwerf inzicht, vergeet niet en wijk niet af van de woorden mijns monds.
  6. Verlaat haar niet, dan zal zij u bewaren, heb haar lief, dan zal zij u behoeden.
  7. Het begin der wijsheid is: verwerf wijsheid en verwerf inzicht bij al wat gij bezit.
  8. Houd haar hoog, dan zal zij u verheffen, zij zal u tot eer brengen, wanneer gij haar zult omhelzen.
  9. Zij zal een liefelijke krans om uw hoofd leggen, een sierlijke kroon zal zij u schenken.
  10. Hoor, mijn zoon, en neem mijn woorden aan, opdat uw levensjaren talrijk worden.
  11. Ik onderricht u in de weg der wijsheid, ik doe u treden op rechte paden.
  12. Bij uw wandelen zal uw schrede niet belemmerd worden, wanneer gij loopt, zult gij niet struikelen.
  13. Houd vast aan de tucht, laat haar niet los, bewaar haar, want zij is uw leven.
  14. Kom niet op het pad der goddelozen, betreed de weg der bozen niet.
  15. Mijdt die, ga er niet over; wijk ervan af en ga voorbij.

Zou de gemeente van Jezus Christus zich sinds de dagen van de apostelen deze woorden hebben aangetrokken, zowaar, dan zou het dagelijkse leven van de huidige wereldburger een compleet andere invulling hebben gehad. En ook zou geen mens het meer in zijn hoofd gehaald hebben om in een rouwadvertentie de aanklacht te plaatsen: “De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen” (een uitspraak van Job in Job 1:21). Met dit soort valse aanklachten wordt ten onrechte voor het oog van de wereld een beeld geschilderd van een tweeslachtige God die door de christenheid (whatever that may be) wordt gediend, een God waar men nooit hoogte van krijgt en die ons voortdurend weer te grazen neemt. Het is dan ook niet zo vreemd dat vele buitenstaanders dan maar liever hun heil zoeken bij de goden van deze wereld. En dat doet men zelfs ondanks de ingeschapen kennis van God. Die andere goden zijn, zo lezen we in Psalm 96:5, geen goden: “want alle goden der volken zijn afgoden, maar de Here heeft de hemel gemaakt”. Zou de Here die de hemel heeft gemaakt in werkelijkheid een Here zijn die veel liever ziet dat Zijn woorden serieus worden genomen? Ik weet wel zeker van wel.

Maar zolang de boom der kennis van goed en kwaad zijn wortels nog diep in deze aardbodem heeft verankerd en men zich nog massaal tegoed doet aan diens vruchten zal de zonde van het eerste mensenpaar zich blijven herhalen, zal de satan keer op keer zijn klauwen kunnen vullen met alweer een nieuwe prooi en zal als gevolg daarvan het lijden zijn stempel blijven drukken op dit aardse leven.

 

Wat ging er mis in Genesis?

De vraag is nu: hoe was het mogelijk dat de mensenmoorder van den beginne (zoals Jezus de satan noemde) toegang had tot de mens, daar in de hof van Eden? De satan was oorspronkelijk geschapen als een dienende geest die in die functie toegang had tot deze schepping. Het zal duidelijk zijn dat daar voor de mens geen bedreiging van uitging. Daar kwam verandering in toen deze voorname engel tegen zijn Schepper in opstand kwam en als vijand van God zijn eigen weg ging. Het zou verkeerd zijn om te veronderstellen dat deze afvallige slechts een dom schepsel is. Integendeel, hij is super intelligent en hij was zich er wel degelijk van bewust dat, als het op een confrontatie aankomt, hij zijn Schepper alleen kan bestrijden door van Diens eeuwige principes misbruik te maken. Ooit verbleef hij in Gods tegenwoordigheid en daardoor is hij zeer goed op de hoogte van Gods heiligheid. Echter, behalve dat kende hij ook Gods aard en principes, door koning David samengevat in Psalm 15:4: “Heeft hij tot zijn schade gezworen, hij verandert het niet”. En in Psalm 89:33-35 lezen we: “maar mijn goedertierenheid zal Ik hem niet onthouden, mijn trouw zal Ik niet verloochenen, mijn verbond zal Ik niet ontwijden, noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is. Eenmaal heb Ik bij mijn heiligheid gezworen: Hoe zou Ik tegenover David liegen!” Deze zelfde waarheid wordt ook door Paulus beschreven in 2 Timothéüs 2:13: “indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet”. Er is dus iets wat God niet kan, omdat Hij van Zijn principes niet afwijkt. Als God Zijn principes zou verloochenen zou Hij daarmee Zijn heiligheid verloochenen, wat er op neerkomt dat Hij af zou wijken van Zijn eigen eeuwige en heilige principes.
Dat was de reden dat de mensenmoorder zich toegang kon verschaffen tot het eerste mensenpaar. Hij had van zijn Schepper de mogelijkheid gekregen om zich als dienende geest in deze schepping te begeven. En dit kon door de Schepper niet teruggedraaid worden. Want zoals Prediker al optekende in Prediker 3:14: “Ik heb ingezien, dat al wat God doet, voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen; en God doet het, opdat men voor zijn aangezicht vreze”. Dat al wat God doet, voor eeuwig is, daar was de satan goed van op de hoogte. Hij kon zich onbelemmerd in de nabijheid van de mens begeven omdat hij wist dat hij van Godswege het recht hiertoe had en dat God daar niet op terug kon komen om hem zodoende te beletten zijn kwalijke plan uit te voeren. Want dat hij ondertussen met heel andere bedoelingen was gekomen moge nu wel duidelijk zijn. Toen door de zondeval de mens van zijn Schepper werd gescheiden en hij gehoorzaam werd aan de mensenmoorder van den beginne, kreeg de satan de zeggenschap over deze wereld. Die macht was hem door de ongehoorzame mens in handen gegeven. En daarmee had hij het helemaal voor elkaar. Zoals hij onbelemmerd in de Hof van Eden kon doordringen dankzij het recht daartoe dat hij van Godswege had ontvangen, zo had hij zich nu ook met list en bedrog de positie van de mens toegeëigend. Dat kon door de Schepper niet teruggedraaid worden, een feit waar de satan vervolgens listig misbruik van maakte.

Ditzelfde principe is er de oorzaak van dat er in deze wereld nog zoveel lijden kan plaatsvinden. En dat gebeurt dus niet door het van Godswege willekeurig toelaten maar vanwege de rechtenkwestie die bij de zondeval in het voordeel van de satan werd gekeerd. Zolang die nog de overste van deze wereld is, vindt al de narigheid in dit tranendal plaats door zijn toedoen en door de vele boze geesten die de satan in zijn val zijn gevolgd. Zij zijn eveneens aan hun oorsprong ontrouw geworden schreef de apostel Judas (niet de verrader!) in Judas 1:6 waar we lezen: “....en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden”. Deze boze geesten zullen in de eindtijd nog een kwalijke rol spelen als zij door toedoen van occultisten worden losgelaten, wat in Openbaring wordt beschreven. Ze staan echter niet alleen in dit kwaad. Want ook ieder mens die zich door de satan laat gebruiken is medeschuldig. Deze machtspositie had de satan in het paradijs in handen gekregen, in de veronderstelling dat hij zijn schepper een slag voor was geweest. Daarom meende hij vervolgens voor eens en voor altijd deze macht in handen te hebben gekregen zonder dat daar door de Schepper nog iets aan veranderd kon worden.

Deze machtswisseling is de grote tragedie rond de boom der kennis van goed en kwaad. Door de zonde verwisselde de mens het Koninkrijk Gods voor het koninkrijk der duisternis. En dat rijk is hetzelfde rijk als het rijk van de dood. Alles wat dood is, is van God gescheiden geraakt en een ieder die van de bron van het leven wordt gescheiden, is dood. In Romeinen 6:23 lezen we hierover: “Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood (bestemming: het dodenrijk), maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here (bestemming: het Koninkrijk Gods)”.

 

De grote afval.

Voor de weg naar herstel was het dan ook nodig dat het Koninkrijk Gods weer opnieuw op deze wereld gevestigd zou worden. Door Jezus' dood en opstanding werd dit werkelijkheid. Daar is op de pagina over Jezus' kruisdood over geschreven. Vele eeuwen geleden bracht Jezus een evangelie dat Hij doorgaf aan Zijn discipelen met als uiteindelijk doel de situatie weer te kunnen herstellen die er voor de zondeval bestond. En om aan al het lijden een einde te kunnen maken door de satan en zijn rijk uit deze schepping te verdrijven, om ook de verloren zondaren met onze Schepper te kunnen verzoenen. Dat de discipelen van Jezus de zendingsopdracht naar eer en geweten hebben uitgevoerd is algemeen bekend. Een feit is echter ook dat al spoedig daarna de satan deze ontwikkeling ging saboteren. Dat de satan niet stil zou afwachten totdat Gods plannen zouden zijn afgerond lag voor de hand en dat dit ook te merken was laat de “kerkgeschiedenis” ons wel zien. Waar aanvankelijk nog de zuivere leer werd verkondigd werd deze systematisch door leugens vervangen die de waarheid van het evangelie van Jezus vervingen door de valse leer van het geestelijke Babylon. Waarin de roomse kerk ontegenzeggelijk een grote, zeer kwalijke, rol heeft gespeeld. Maar... die grote stad Babylon bestaat uit veel meer straten dan alleen de roomse straat. Want ook na de reformatie, die zeker veel goeds heeft gebracht, keerde men niet terug naar de boodschap van de discipelen maar werd het misleide kerkvolk belast met zoveel theologische wegomleggingen en met een “leer der vaderen” dat ook in het Protestantse kamp Gods oorspronkelijke reddingsplan in nevelen werd gehuld. Deze ontwikkeling was echter al voorzien zodat de discipel Johannes van Jezus zijn Openbaring ontving waarin dit hele drama, en de rol van de afvallige kerk (Babylon) daarin, werd uitgetekend. In Openbaring 1:1 lezen we namelijk: “Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden, en welke Hij door de zending van zijn engel aan zijn dienstknecht Johannes heeft te kennen gegeven”.

 

De uittocht.

En nu, eeuwen nadat Jezus Zijn evangelie van verlossing op aarde bekend maakte, bevinden wij ons in de wrange situatie dat door al die afvalligheid, ontrouw en zelfs vijandigheid tegenover Gods reddingsplan het verdrijven van de satan en zijn rijk al zo lang is vertraagd dat we nu nog dagelijks de aanwezigheid van het rijk der duisternis in deze wereld ondervinden. Zodat de vraag naar het waarom van al die ellende de mensheid nog steeds bezighoudt. Ten onrechte! Want als de kinderen Gods sinds de tijd van de discipelen trouw waren gebleven aan dat oorspronkelijke evangelie zou deze wereld er nu, in de éénentwintigste eeuw, heel anders uit gezien hebben. Zodat het totaal onredelijk is om als reactie op al het huidige leed onze Schepper ter verantwoording te roepen. Terwijl in werkelijkheid de gemeente van Jezus Christus aan de grote opdracht van Jezus ontrouw werd en als gevolg daarvan door de grote misleider tot de grote hoer Babylon werd omgevormd, welke in de Openbaring aan Johannes zo uitvoerig wordt beschreven. Inclusief de kwalijke rol die zij heeft gespeeld, speelt, en nog zal spelen in wat nog komen gaat.
Een paar teksten waaruit dit blijkt:

Het is dan ook niet voor niets dat in datzelfde boek Openbaring de oproep staat te lezen: “Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen” (Openbaring 18:4). Wil men werkelijk iets zinnigs doen voor het welzijn van deze geschonden en zuchtende schepping, dan zullen de oprechten onder hen die zich in dat Babylon bevinden uit moeten trekken en afstand moeten nemen van alle misleidingen en leringen van boze geesten die in de loop der eeuwen het “Christendom” hebben misvormd. Alleen als hier ernst mee wordt gemaakt ligt er een weg open naar een wereld zonder lijden.

 

God aangeklaagd.

Zolang daar geen werk van is gemaakt zal het nog vele keren gebeuren dat God ter verantwoording zal worden geroepen vanwege Zijn vermeende aandeel in wat er in menig mensenleven anders loopt dan was gepland. En zal het gebeuren dat de theologische kopstukken daar nog een schep boven op doen door ons te willen bepalen bij de ondoorgrondelijkheid van het hemelse Opperwezen, zodat we ons er maar bij neer moeten leggen dat de ondoorgrondelijke wegen des Heren voor de mens onbegaanbaar terrein zijn en zullen blijven. Met als onontkoombaar gevolg dat het lijden voor de mens een mysterie zal blijven. Zelfs als het gezonde verstand steigert bij de tegenstrijdigheden die door al dit getheologiseer worden opgeroepen en die in strijd zijn met wat Jezus zelf ons heeft nagelaten in Zijn Woord.

Zo lees ik bijvoorbeeld in de nalatenschap van ene Johannes Calvijn, en wel in zijn: “Institutie”, boek 1, hoofdstuk 5: “Wel is Zijn Wezen onbegrijpelijk, zodat alle zinnen der mensen Zijn Godheid geenszins kunnen bereiken”. Hoezo onbegrijpelijk? Jezus zelf zei namelijk in Johannes 14:21: “Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren”. Het is dus zeker niet Zijn bedoeling om voor ons een groot mysterie te blijven!

Behalve deze halve waarheid heeft Calvijn nog meer van dit soort verdraaingen op zijn kerfstok staan. En uitgerekend het “Calvinisme” zou in Nederland zijn sporen achterlaten. Dat heb ik destijds onder andere bij mijn eigen grootouders moeten vaststellen. Hun hele leven hadden zij te worstelen met twijfels over hun behoud en leefden zij met een God die door Calvijn en soortgenoten in een koperen en ondoordringbare hemel was geparkeerd. Als dan ook nog blijkt dat deze evangelievervalser er geen moeite mee had om andersdenkenden, waaronder vermeende heksen (lees: onschuldige vrouwen), op de brandstapel om te laten brengen dan moet het voor een redelijk denkend mens toch wel duidelijk worden dat het Koninkrijk Gods met dit soort dwaalprofeten niet is gediend. En dat de werkelijke inhoud van het evangelie van Jezus niet tot Calvijn is doorgedrongen. Ik ben de persoonlijke mening toegedaan dat het de satan destijds is gelukt om de kracht van de reformatie te ondermijnen door gebruikmaking van Calvijn's diensten. Waarna religieus Nederland generaties lang gebukt is gegaan onder de demonische erfenis van Calvijn. In Psalm 94:21 en 22 worden deze en dergelijke praktijken al ontmaskerd: “Hebt Gij iets gemeen met de zetel van het verderf, die onder schijn van recht onheil sticht? Zij maken jacht op het leven van de rechtvaardige, en onschuldig bloed verklaren zij schuldig”.

Dat door dit soort theologische sluipmoordenaars het beeld van een liefdevolle God zwaar werd en wordt aangetast staat nu wel vast. Toen ik in mijn jonge jaren kennis nam van de denkbeelden over God die in de traditionele kerken al eeuwen gemeengoed waren en nog zijn, vroeg ik me nogal eens verbijsterd af welke eigenschappen men nu aan God en welke men aan de satan zou moeten toeschrijven. Het verschil tussen die twee was door de onbijbelse denkbeelden zo vervaagd dat er vrijwel niets meer over was gebleven van hetgeen Jezus ooit over de Vader aan Zijn discipelen wilde duidelijk maken en waarvan Hij bovendien zelf een zichtbaar getuigenis gaf in Zijn handel en wandel. Dat vinden we in Johannes 14:9: “Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?” Het is onvoorstelbaar en verbijsterend dat er een situatie heeft kunnen ontstaan waarin het wezen van God zo is ondergespit dat Hem nu eigenschappen worden toegeschreven die je toch echt eerder vanuit de hel zou verwachten. Terwijl de bijbel al -tig eeuwen lang vol staat met een heel ander evangelie. Een evangelie dat al lang algemeen bekend had kunnen zijn als de verkondiging ervan door de nalatigheid en ontrouw van de gemeente van Christus niet was gesaboteerd. De verwijten die er naar de hemel worden opgezonden hebben in ieder geval tot gevolg dat men heel snel uit het oog verliest dat Jezus door Zijn menswording vrijwillig deel kreeg aan het lijden en dat de Vader daarvoor Zijn Zoon prijsgaf omwille van ons behoud. Dat vinden wij in Rom. 5:8: “God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.” Door die gezindheid is bewezen dat zij hebben getoond waar 1 Corinthe 13 over spreekt, namelijk dat de liefde zichzelf niet zoekt. Als wij een God hebben die door deze daad heeft laten zien wat zelfverloochening en mededogen is, is het op zijn minst onbeschoft om Hem keer op keer aan te wrijven dat Hij voor- en tegenspoed, verblijden en lijden, geluk en ongeluk naar willekeur over de mens uitstrooit.

 

Daarom herroep ik en doe boete.

Als we alleen al de betekenis van Jezus' kruisdood en Zijn vernedering proberen te vatten moet het gezonde verstand ons toch duidelijk kunnen maken dat zo'n God geen God kan zijn die vol tegenstrijdigheden zit, zoals de “vrome” vaderen ons willen doen geloven. Het “zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?” uit Job 2:10, waar Job zijn gemoedsrust mee terug probeerde te vinden, wordt te pas en te onpas aangehaald om de “leer der vaderen” overeind te kunnen houden. Maar aan het eind van het boek Job moet Job zelf toegeven: “Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete in stof en as” (Job 42:5,6). Ook Job had, begrijpelijkerwijs, temidden van zijn ellende een mening over Gods aandeel in deze dramatische gang van zaken. Ondanks dat wilde hij God niet voor het gerecht slepen en dit bracht hij onder woorden met zijn belijdenis in Job 2:10. Uiteindelijk moest hij toegeven dat de God die Hij diende tot dan toe een vreemde voor hem was gebleven maar dankzij zijn bittere ervaringen en de daarop volgende terechtwijzingen was er een wereld voor hem opengegaan en was zijn godsbeeld er een geworden van een ooggetuige: “maar nu heeft mijn oog U aanschouwd”. Halverwege het boek Job blijkt trouwens al dat Job temidden van zijn ellende en wanhoop zijn verwachting uitspreekt dat uiteindelijk de rechtvaardigheid van zijn God toch het laatste woord zou hebben. In Job 19:25-27 is daarom zijn belijdenis: “Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden. Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, die ik zelf mij ten goede aanschouwen zal, die mijn eigen ogen zullen zien en niet een vreemde; mijn nieren in mijn binnenste versmachten van verlangen”. En meteen daar achteraan laat Job zijn “vrienden” weten dat hij geen boodschap heeft aan al hun aantijgingen omdat hij ondanks alles toch overtuigd blijft van zijn eigen onschuld: “Als gij dan zegt: Hoe zullen wij hem vervolgen en de grond der zaak bij hem ontdekken! Vreest dan voor uzelf het zwaard, want uw grimmigheid is een halsmisdaad, opdat gij moogt erkennen, dat er een gericht is”. Aan het eind van Job's lijden blijkt dat gericht er ook inderdaad te zijn als Job's aanklagers door God zelf worden aangepakt. Waaruit we kunnen leren dat onbeleden onrecht bij God nooit ongestraft blijft. Dat is een feit waar wij wel eens wat vaker bij stil zouden mogen staan, wanneer wij ons lopen op te winden om de onrechtvaardigheid die wij in deze wereld tegenkomen.

 

Ook koning David had een zelfde getuigenis zoals Job die had in Job 42:5,6. Die getuigenis van David lezen we in Psalm 63:1,2: “O God, Gij zijt mijn God, U zoek ik, mijn ziel dorst naar U, mijn vlees smacht naar U, in een dor en dorstig land, zonder water. Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd, ziende uw sterkte en uw heerlijkheid”. Zowel Job als David, en vele anderen met hen, kwamen tot de ontdekking dat lijden en verdrukking hen de ogen hadden geopend voor de bovennatuurlijke werkelijkheid. Een werkelijkheid die anders voor hen een verborgenheid zou zijn gebleven maar die pas een geopenbaarde waarheid voor hen werd toen zij de schaduwkant van het leven leerden kennen, die onder invloed staat van de overste van deze wereld (de satan). Het geheim is dat zij allen door het lijden de lijdende God beter leerden kennen. Jezus onderging als mens vrijwillig het lijden dat door de ongehoorzaamheid van de eerste mens in de wereld had kunnen komen. Van Zijn discipelen verwacht Hij dezelfde gezindheid als Hij zegt in Johannes 15:20: “Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren”. Zoals Job vanwege zijn vroomheid lijden kreeg te verduren, zo zijn ook de echte(!) discipelen van Jezus het mikpunt van de nooit aflatende pogingen van de satan om zich te ontdoen van iedereen die niet voor zijn ego wil buigen. Bij Job had het lijden uiteindelijk als resultaat dat hij een ooggetuige werd van Gods verhevenheid. Ook de apostel Paulus overkwam iets dergelijks, al was dat in een heel andere vorm. Daarvan geeft hij, voor zover hij daartoe is staat was, een beschrijving in 2 Cor. 12:2-4: “Ik weet van een mens in Christus, veertien jaar is het geleden (of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het) dat die persoon weggevoerd werd tot in de derde hemel. En ik weet van die persoon (of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het) dat hij weggevoerd werd naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken”. Tijdens de vele vervolgingen die hem sindsdien zijn overkomen zal de herinnering aan deze gebeurtenis hem menigmaal de zekerheid hebben gegeven dat hij al die moeiten niet tevergeefs onderging, dat het een doel diende waarvan hij al even getuige mocht zijn. En zoals dit bij Paulus gebeurde, is ook voor vele andere discipelen van Jezus de hemel een stukje geopend waardoor zij deel kregen aan de geheimenissen van het Koninkrijk Gods. Dit lezen wij bijvoorbeeld ook van de apostel Stefanus, die kort voordat hij werd gedood, zei: “Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.” (Hand. 7:56).

Zij allen mochten deze waarheid ontdekken. De waarheid die hen heeft geleerd dat alleen kinderen Gods die achter Jezus aan willen gaan en hun kruis op zich willen nemen waardig worden geacht om een blik achter de schermen te mogen werpen. En een blik achter het warnet van leugens die voor de zondige mensheid het zicht ontneemt op de strijd die zich in de geestelijke wereld afspeelt tussen twee koninkrijken. Het is niet voor niets dat Jezus Zijn discipelen meedeelde in Matth. 10:37,38: “Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig”. Wie Hem niet waardig is zal hier en nu, in dit leven, geen deel kunnen krijgen aan de geheimenissen die ons bestaan zo vergaand beïnvloeden. Voor dezulken gaat op wat we kunnen lezen in 1 Cor. 2:14: “Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is”. Wie daarentegen wel aan Jezus' oproep tot discipelschap gehoor heeft gegeven heeft daarmee ook rechten gekregen, erfrechten. Daarover schreef Paulus in Romeinen 8:17: “Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking”.

 

De scheidslijn.

Er bestaat dus een scheidslijn die de mensheid verdeelt in twee groepen. Aan de ene kant de kleine groep mensen zoals Job, David en Paulus die een blik werd gegund in een wereld die voor die andere grote groep een mysterie is. Het boek Job laat ons een paar mensen uit die tweede groep aan het werk zien terwijl ze hun vriend Job onder handen nemen. Deze aanklagers van Job meenden vanuit hun comfortabele positie Job duidelijk te moeten maken waarin hij tekort schoot. De uiteindelijke afloop laat ons zien dat de rechtvaardige God deze religieuze kwakzalvers niet ongemoeid liet vertrekken. Direct na Job's boetedoening in Job 42:5,6 lezen we dan ook in vers 7: “Nadat de Here deze woorden tot Job gesproken had, sprak de Here tot de Temaniet Elifaz: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw beide vrienden, want gij hebt niet recht van Mij gesproken zoals mijn knecht Job”. Deze aanklagers hadden niet door dat de oprechte Job zich aan de goede kant van Gods scheidslijn bevond. En dat zij zelf zich, ondanks al hun vermeende vroomheid, bevonden aan die kant van de scheidslijn waar het venster op de hemel gesloten blijft. Met hun onterechte aantijgingen werd Job's lijden nog eens extra verzwaard. De waarschuwing die zij te horen kregen was dan ook bepaald niet mis: “Welnu, neemt zeven stieren en zeven rammen en gaat naar mijn knecht Job en brengt ze voor u tot een brandoffer, en mijn knecht Job moge voor u bidden, want slechts hem zal Ik ter wille zijn, zodat Ik u niet iets kwaads aandoe, omdat gij niet recht van Mij gesproken hebt zoals mijn knecht Job” (Job 42:8). Ook in onze tijd zijn er velen die menen een verklaring te hebben voor alles wat er mis is sinds Genesis. En in het geval men geen verklaring kan vinden wordt keer op keer met een verwijtende of een verklarende vinger naar God gewezen als naar Diegene die er wel weer een bedoeling mee zal hebben. Zodat al in menige rouwadvertentie, op rouwkaart of grafsteen de uitspraak van Job in Job 1:21 stond te lezen: “de Here heeft gegeven, de Here heeft genomen” Met een verklaring als deze is men echter blijven steken bij hetzelfde gebrekkige inzicht dat Job aan het begin van zijn misère nog verhinderde om de ware toedracht van de loop der dingen te ontdekken.

 

En onder hen kwam ook de satan...

Over de eerste twee hoofdstukken van het boek Job zijn waarschijnlijk al vele (verhitte) discussies gevoerd, waarvan ik er zelf enkele heb meegemaakt. Daarbij kwam onvermijdelijk naar voren dat de, van Gods kant, schijnbaar willekeurige toelating van Job's verzoeking een grote hindernis vormde voor het kunnen (of willen) verstaan van Gods rol in deze zaak. Om hier zicht op te krijgen moet de geschiedenis van Job worden gelezen als een les die past binnen de context van het evangelie van Jezus Christus. Daar bedoel ik mee te zeggen dat het verhaal van Job vooruit wijst naar en een beeld is van het leven van Jezus Christus. En dat er sprake is van een vergelijkbare situatie. Een situatie waarin beiden onschuldig waren aan het lijden dat hen overkwam. In Job's geval begint het allemaal met de ongewone beschrijving van de ontmoeting tussen God en de satan en de bijeenkomst van de “zonen Gods” in Job 1:6, waar we lezen: “Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen, en onder hen kwam ook de satan”. Omdat er hier sprake is van een beschrijving van een gebeurtenis in de geestelijke wereld, de wereld der geesten, is het uitgesloten dat deze zonen Gods hier mensen voor zouden stellen, het gaat hier over (goede) engelen. Deze engelen hebben ieder voor zich een taak toegewezen gekregen en daarvan brengen zij kennelijk verslag uit. Het is jammer dat de beschrijving van deze gebeurtenis zo minimaal is maar uit de weinige informatie die hier wordt gegeven blijkt wel dat er van een gedachtewisseling sprake is tussen God en deze “zonen Gods”. Dit vond plaats in de geestelijke wereld, dus niet in de hemel en niet op de aarde maar daar ergens tussenin. Binnen het domein van de aarde, waardoor de satan (als overste van deze wereld) zich bij hen kon voegen. Die ontmoeting vond dus plaats op zijn terrein. De hemel is voor de satan namelijk verboden gebied! Feit is dat de satan in staat was om zijn mening kenbaar te maken aan de andere aanwezigen. En dat is ook meteen het enige dat in deze gebeurtenis voor ons van belang is. Als we ons vervolgens bepalen bij de eigenlijke inhoud van het boek Job dan zijn er een paar belangrijke zaken die er uitspringen.

Zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen.

Allereerst valt op dat des satan's aandacht wordt gevraagd voor Job's rechtvaardigheid. Want als reactie op de aanwezigheid van de satan wordt hem vervolgens in Job 1:8 gevraagd: “Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad”. Job's gaan en staan waren door God opgemerkt en dat liet Hij hier blijken. Dit komt overeen met wat David zegt in Psalm 11:4: “De Here woont in zijn heilig paleis, de Here heeft in de hemel zijn troon; zijn ogen slaan gade, zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen”. Ook in Spreuken 5:21 lezen we iets dergelijks: “Want voor de ogen des Heren liggen ieders wegen open, Hij weegt al zijn gangen”. En in 2 Kronieken 16:9: “Want des Heren ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat”.

Dit is dus zoiets waar we in het dagelijkse leven niet echt vaak bij stilstaan maar is wel degelijk een feit: ons gaan en staan, onze handel en wandel worden van bovenaf voortdurend gadegeslagen. Het wil nog wel eens gebeuren dat in tijden van tegenslag het verwijt naar de hemel wordt opgezonden dat God zich toch wel erg afzijdig houdt. En maar al te vaak is de situatie dat de mens zelf al een tijdlang is afgeweken van datgene waarin de bijbel de juiste richting aangeeft. Desondanks is daar telkens weer Gods bereidheid om ons hulpgeroep tegemoet te komen, om daarmee te laten zien dat Hij op de hoogte is van onze nood. Over dat laatste spreekt ook de profeet Jesaja in Jesaja 57:15: “Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven”. Nog een goeie uit Jesaja 63:9: “In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd.”

Ook in het geval van Job was alles geregistreerd wat hem tot dan toe was overkomen. Dat betrof in dit geval Job's voorspoed en Job's rechtvaardigheid. Maar waar God over sprak was niet zijn voorspoed maar wel Job's rechtvaardigheid. Hieruit blijkt weer eens dat God in de allereerste plaats is geïnteresseerd in een rechtvaardig hart dat Hem oprecht zoekt. Het is de vertrouwelijke omgang tussen God en mens die voor God doorslaggevend is. Het materiële bezit is slechts bijzaak. Dat daar in deze, door de zonde blindgeslagen, wereld totaal anders tegenaan wordt gekeken is ons ondertussen wel bekend. Bij onze Schepper tellen aanzien en rijkdom echter niet. Zoals Hij dat ook bij de keuze van een nieuwe koning voor Israël tegenover de profeet Samuël liet weten. Dat is te lezen in 1 Samuël 16:7: “Doch de Here zeide tot Samuël: Let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan”. Ook de discipelen die Jezus uitkoos aan het begin van Zijn te volbrengen taak waren bepaald geen koning, keizer of admiraal, maar mensen met een heel gewoon verhaal. Zijn discipelen behoorden niet tot de voornaamsten van het volk, of tot de schriftgeleerden en Farizeeën maar het waren slechts een paar vissers, een paar tollenaars en nog wat jongens zonder indrukwekkende staat van dienst. Het soort mensen waar door de oversten van het volk minachtend op werd neergekeken, omdat de wereldse normen van deze oversten mijlenver verwijderd waren van Gods maatstaven.

 

Rechtvaardig ondanks de rijkdom.

Job was zowel rijk als rechtvaardig. Hij was rechtvaardig ondanks zijn rijkdom en hij was rijk dankzij zijn rechtvaardigheid. Zijn rechtvaardigheid had hem veel zegen gebracht maar ondanks die zegeningen was hij rechtvaardig gebleven. Zijn verkregen rijkdom was voor Job geen aanleiding geweest om God de rug toe te keren. De geschiedenis heeft ons geleerd dat dit nog wel eens anders wil lopen, zo lezen we onder andere in Jacobus 5:1-4: “Welaan dan, gij rijken, weent en maakt misbaar over de rampen, die u zullen overkomen. Uw rijkdom is verrot, uw klederen zijn door de mot aangevreten, uw goud en zilver is verroest, en het roest ervan zal tegen u getuigen en uw vlees verteren als vuur. Gij zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijn. Zie, het loon, dat door u is ingehouden van de arbeiders, die uw landen hebben gemaaid, schreeuwt, en het geroep van hen, die uw oogst hebben binnengehaald, is doorgedrongen tot de oren van de Here Zebaoth”. Rijkdom maakt corrupt is hier de boodschap. Dat dit bij Job niet het geval was maakt zijn rechtvaardigheid alleen maar groter. In Gods ogen was Job daarom een bijzonder mens, en dit blijkt temeer doordat God meedeelt in Job 1:8: “...Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad”.
Maar ook de satan was van de situatie op de hoogte. Tijdens zijn “zwerftocht over de aarde” had Job ook zijn aandacht getrokken. Dat was te verwachten. Iedere rechtvaardige is een doorn in de ogen van de satan en voor hem een bron van ergernis. Hij zou maar al te graag met die Job afgerekend hebben. Echter, de rechtvaardigheid van Job had hem Gods zegen gebracht en die zegen had Job behoed voor de willekeur van de satan. Dat is een geestelijke wet. Waar met Gods wetten rekening wordt gehouden treden Gods wetten in werking en worden de wetten van het rijk van de satan krachteloos. Het is de wil van de mens die kiest welke god hij/zij wil dienen. Wie door gehoorzaamheid aan God zich aan Hem overgeeft bewerkt daarmee dat God rechten verkrijgt in het leven van die mens. Die rechten brengen zegen met zich mee.

Rechtvaardig dankzij de rijkdom?

Het antwoord van de satan op Gods vraag duidt al meteen aan dat hij, zoals te verwachten was, de situatie compleet omdraait. In Job 1:9,10 is zijn reactie: “Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land”. Hier wordt door de satan met zoveel woorden beweerd dat Job rechtvaardig is geworden en gebleven dankzij de ontvangen zegeningen en rijkdom. Terwijl de praktijk keer op keer laat zien dat rijkdom een mens eerder van God af trekt dan dat hij er God door vindt. Dat liet ook Jezus weten in Matthéüs 19:24: “Wederom zeg Ik u, het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat”.
Een korte uitleg: het oog van de naald was, voor zover ik dat heb kunnen achterhalen, het kleine poortje naast de grote stadspoort dat na het sluiten van de grote poort werd gebruikt voor de laatkomers. Het laat zich raden dat het een heel gedoe en gesjor was om daar een tegenstribbelende kameel doorheen te wringen. Kamelen houden niet van kleine poortjes. Daar zijn ze duidelijk niet voor gemaakt. En een rijke door de hemelpoort wringen is eveneens een zware klus, zoals Jezus hier laat blijken.

 

Jezus en Job.

Dan is er de treffende overeenkomst tussen Job's situatie en de omstandigheden waaronder Jezus zelf tijdens Zijn aanwezigheid op deze wereld leefde. In Matthéüs 4:1 lezen we: “Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de satan”. Er was in Jezus' situatie onmiskenbaar sprake van een welbewuste keuze om de confrontatie aan te gaan met de overste van deze wereld. Jezus had een taak voor Zich liggen die ingrijpende gevolgen zou hebben. Ook voor Hemzelf waren de gevolgen ingrijpend én aangrijpend. Wat bijvoorbeeld wordt beschreven in Hebr. 5:7,8: “Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden”. Er is hier sprake van de gehoorzaamheid die Jezus moest leren. Hoewel dit de schijn wekt dat Jezus de gehoorzaamheid moest aanleren is dit niet de realiteit. Er wordt van Jezus getuigd in Hebr. 4:15: “Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze [als wij] is verzocht geweest, doch zonder te zondigen”. En als Jezus niet gezondigd heeft is Hij ook nooit ongehoorzaam geweest aan het plan van de Vader. Jezus wist dus wat het is om gehoorzaam te zijn en wie gehoorzaam is hoeft geen gehoorzaamheid aan te leren. Dat gaat alleen op voor de ongehoorzamen. Maar ook al was Jezus gehoorzaam, Hij moest het desondanks wel bewijzen. Er moest voor het oog van de satan en zijn rijk bewezen worden dat Jezus gehoorzaam bleef aan de Vader. Die gehoorzaamheid leidde tot Zijn kruisdood. Hij werd door de Vader prijsgegeven aan de helse machten uit het rijk van de satan en door Zijn gehoorzaamheid tot de dood verkreeg Hij alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28:18). Dit alles had onder andere als doel: de nederlaag van de satan. Want door Zijn overwinning (Zijn bewezen gehoorzaamheid) kon Hij het Koninkrijk Gods weer op deze wereld vestigen en had Jezus de macht om ons, verloren zondaren, weer met de Vader te verzoenen door voor ons te pleiten. Alleen naar Jezus zal de Vader luisteren, wat overigens ook over Job tegen zijn “vrienden” werd gezegd in Job 42:8: “en mijn knecht Job moge voor u bidden, want slechts hem zal Ik ter wille zijn, zodat Ik u niet iets kwaads aandoe.” En over Jezus lezen wij in Hebr 7:25: “Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten.”

De overeenkomst tussen Jezus en Job is dat in beide situaties de satan van God speelruimte kreeg toegemeten met als doel: de nederlaag van de satan. Ook is tijdens beider lijdensweg de satan nog de overste van deze wereld, doordat hij (in Genesis 3) die rechten bij elkaar heeft gestolen. Daar kan onze Schepper niet omheen. De satan is dus als overste van deze wereld een tegenstander waar rekening mee gehouden moet worden. Daar kon in de situatie van Job zowel als die van Jezus niet aan voorbij worden gegaan. Onze Schepper stond de satan toe om Job zijn rijkdom te ontnemen. Nog een overeenkomst tussen Job en Jezus is dat beiden hun rijkdom kwijtraakten. Met dit verschil dat Jezus die keuze vrijwillig maakte bij Zijn komst naar deze wereld. Daarover schrijft Paulus in Filippenzen 2:5-8: “Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises”. Dit is het evangelie in vogelvlucht en er komt overduidelijk uit naar voren dat Jezus zowel het ene als het andere uiterste heeft gesmaakt: Zijn verheven positie voor Zijn menswording en de diepte des satans op Golgotha. De geschiedenis in het boek Job legt een grote nadruk op Job's lijden. De hele bijbel getuigt echter vele malen van de komst van de Messias die vrijwillig Zijn rijkdom aflegde en de gestalte van een dienstknecht aannam en daarmee welbewust het lijden aanvaardde. Over deze vrijheid van keuze sprak Jezus zelf in Joh. 10:17,18: “Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen. Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen”.

 

De satan vernederd.

De uitkomst bij zowel Job als Jezus is ons bekend. In beide situaties was het de satan die zichzelf de nederlaag bezorgde. De grote verleider kon zelf de verleiding niet weerstaan om toe te slaan. Zijn opzet om zijn gelijk te bewijzen door Job zover te krijgen dat die Zijn God vaarwel zou zeggen faalde echter jammerlijk. Ook bij Jezus liep het anders dan de satan had voorzien. Niet hij maar zijn Schepper had het laatste woord. En daar ligt meteen de sleutel tot het begrijpen van het onvermijdelijke van Jezus' lijden. Als overste van deze wereld, die geen andere werkwijze kent dan verleiding, verleugening of geweld en tirannie, zal de satan alles in het werk stellen om langs die weg zijn doel te bereiken. Omdat hij daarbij niet is opgewassen tegen de wijsheid van zijn Schepper zal de wetteloosheid van de satan het daar keer op keer tegen af moeten leggen. Paulus heeft het over de smadelijke afgang van de satan in 1 Corinthe 2:6-8 als hij schrijft: “Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God reeds van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben”. Denk daar eens over na! Jezus, aan het kruis op Golgotha, was het zwakke van God dat sterker bleek te zijn dan de overste van deze wereld. En daar had de satan toch waarachtig niet op gerekend. Zoals hij ook bij Job smadelijk moest afdruipen en hij moest erkennen dat de rechtvaardigheid van Job niet was ontstaan door de rijkdom die hij bezat maar dat Job's rijkdom het gevolg was van zijn rechtvaardigheid. En die rechtvaardigheid hield stand. De leugen die de satan uitte in Job 1:9-11 en waarmee hij meende te kunnen voorspellen dat die vrome Job zonder al die zegeningen al gauw niet zo vroom meer zou zijn, was ontmaskerd. Namelijk de leugen: “Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land. Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit; of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen!”

De afloop van Job's lijden komt overeen met de afloop van Jezus' kruisdood. “En de Here bracht een keer in het lot van Job, toen hij voor zijn vrienden gebeden had, en de Here gaf Job het dubbele van al wat hij bezeten had” (Job 42:10). Deze afloop wees vooruit naar Jezus. Tegenover de Emmaüsgangers zei Jezus over Zichzelf: “O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn heerlijkheid in te gaan?” (Lucas 24:25,26). Jezus had een weg te gaan die vol smarten was. Deze moeizame weg was echter de enige weg die de nederlaag van de satan tot gevolg kon hebben. Er was geen andere weg om dat te bereiken. De enige wijze waarop de satan overgehaald kon worden om “mee te werken” was door het terrein van de satan te betreden. En dat terrein bestaat uitsluitend uit gruwelijke dingen. Hij zal nooit terugkeren naar zijn oorsprong en gaat alleen nog met geweld, leugen, verleiding, wreedheid en angst te werk waarbij hij uitsluitend zijn eigen voordeel zoekt. Daarom was voor Jezus de enige weg om de satan te weerstaan, de satan de gelegenheid te geven datgene te doen wat hij voor zichzelf als winstgevend beschouwde. In Lucas 22:53 zegt Jezus daarom: “Terwijl Ik dagelijks bij u was in de tempel, hebt gij geen hand naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw ure en de macht der duisternis”. Echter zoals Paulus al schreef in 1 Corinthe 2:6-8 was de verborgen wijsheid Gods voor de satan te hoog gegrepen en had hij er niet op gerekend dat de liefde die Jezus er toe bewoog om de man van smarten te zijn, in staat was om zijn gruwelijke vertoon van macht te weerstaan. Ook bij Job had de satan zich hopeloos verkeken.
Overzien we het verloop en de afloop van Job's lijden en dat van Jezus dan komt bij beiden naar voren dat de satan de grote verliezer is. Dat is de les die er valt te leren bij het lezen van het boek Job. Én dat de smadelijke afgang van de satan alleen bereikt kon worden door middel van rechtvaardigheid en lijden.

 

Lijden naar Gods wil of zinloos lijden?

Zinloos lijden.

In tegenstelling tot wat Job overkwam is het meeste lijden in deze wereld zinloos lijden. Zinloos lijden is datgene waar niets goeds uit te voorschijn komt. De in zonde en wetteloosheid ondergedompelde mensheid leeft onder de vloek van de zonde. Deze vloek heeft slechts ellende tot gevolg. Daarom is het namelijk een vloek. Dat is op zich erg logisch maar kennelijk voor veel mensen nog niet logisch genoeg. Want de feiten zijn dat er door de opkomende New Age religie(!) wordt geleerd dat de mens zelf in staat is het lot van de wereld te keren. Waar de mens de god in zichzelf gevonden meent te hebben is iedere andere god alleen nog goed voor het museum voor afgedankte religies. Zoals te verwachten was is ook de God van de bijbel daar in een vitrine geplaatst. Als het aan de New Agers ligt. Waarmee zij demonstreren wat Paulus schreef in 1 Cor. 4:3,4: “Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is”. Hun overleggingen zijn met blindheid geslagen, zo lezen we hier. Op een andere plaats gaat Paulus opnieuw in de aanval als hij schrijft in Efeze 4:17,18: “Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart”. Waar de onwetendheid heerst, dus waar de kennis van het evangelie van Jezus niet gewenst is, heeft de overste van deze wereld vrij spel. En waar die de touwtjes in handen heeft rust de vloek van de zonde op alles wat de goddelozen doen en laten.

In Rom. 3:23-26 heeft Paulus deze gang van zaken aldus onder woorden gebracht: “Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden; om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is”. Er is hier dus sprake van zonden die onder de verdraagzaamheid van God zijn gepleegd en toegelaten. Dat sluit aan op wat Jezus zei in Matth. 5:44-46: “Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat voor loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?” Dat van die regen begon pas goed tot me door te dringen toen na die hete en kurkdroge zomer van 2018 de regens eindelijk weer leven brachten, nadat ondertussen de weeklachten overal waren te horen. Vanwege de aanwezigheid van de rechtvaardigen op de aarde verdraagt God ook de onrechtvaardigen. Dat de onrechtvaardigen met al hun wetteloosheid worden verdragen en getolereerd houdt in dat er sprake is van een situatie waarin God moet toezien dat Zijn schepping voortdurend onder de vloek van de zonde zucht. Die vloek brengt lijden met zich mee. Zinloos lijden. Te beweren dat God naar willekeur en zoals het hem goeddunkt zowel al dit lijden als al het goede over de mens laat komen is een grove godslastering. In Jac. 3:11,12 wordt met deze gespleten visie afgerekend: “Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen? Kan soms, mijn broeders, een vijgenboom olijven of een wijnstok vijgen opleveren? Evenmin kan een zilte bron zoet water geven”. Al dat zinloze lijden vormt in werkelijkheid een schril contrast met wat we in Rom. 12:2 lezen: “En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene”. En daarom kan Paulus uit ondervinding getuigen in Rom. 8:28-30: “Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt”.

 

Lijden naar Gods wil.

Als wij hier dus lezen dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen die Hem liefhebben dan houdt dit in dat al het lijden dat een kind van God kan overkomen, door toedoen van de satan en zijn handlangers, door God wordt omgebogen. Zodat telkens wanneer de grote tegenstander denkt weer een slag te kunnen slaan én te winnen, hij uiteindelijk alleen maar het Koninkrijk Gods heeft gediend in plaats van het schade toegebracht te hebben. In dat licht moeten we bijvoorbeeld een tekst als Spreuken 16:4 lezen: “De Here heeft alles gemaakt voor zijn doel, ja, zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads”. Oppervlakkig gelezen zou men uit deze woorden kunnen afleiden dat God ook de goddeloze goddeloos heeft gemaakt of goddeloos heeft laten blijven. Het evangelie van Jezus Christus heeft ons echter geleerd dat het Gods doel is de vloek van de zonde van deze schepping te verdrijven, de satan en zijn rijk te vernietigen en daarmee aan het lijden op deze wereld een einde te kunnen maken waarna de schepping weer hersteld zal kunnen worden. Met dat doel voor ogen wordt er aan de uitbreiding van het Koninkrijk Gods gewerkt. Lettend op het lijden van Job en de afloop daarvan, waarin de satan zijn nederlaag moest erkennen, herkennen we ditzelfde principe ook in Spreuken 16:4 waarin ook de daden van de goddeloze, die zich vijandig gedraagt tegenover het Koninkrijk Gods, meewerken ten goede voor hen die dat Koninkrijk dienen. Goed beschouwd is het dus zo dat die goddeloze ongewild meewerkt aan de uitbreiding van het Koninkrijk Gods. Datzelfde gaat ook op voor de goddeloze der goddelozen: de satan zelf. Op Golgotha maakte hij al een voor hem fatale misrekening waardoor Jezus als overwinnaar uit die doodsstrijd te voorschijn kwam. Dat vinden we terug in de hierboven al aangehaalde tekst uit 1 Corinthe 2:6-8 en die ik hier nog maar even herhaal: “Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God reeds van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben”. Het is de wijsheid van God die telkens weer het laatste woord heeft waardoor al het geweld dat gericht is tegen het Koninkrijk Gods uitsluitend de uitbreiding van dat Koninkrijk tot gevolg heeft.

Dat is bijvoorbeeld te zien in die landen waar de vervolging tegen christenen gruwelijk wordt opgevoerd. Want de praktijk laat telkens weer zien dat waar de vervolging het zwaarst is, het aantal bekeringen en de honger naar het evangelie van Jezus alleen maar toenemen. Al dit lijden heeft daardoor tot gevolg dat de uitbreiding van het Koninkrijk Gods wordt gediend. En dát lijden is lijden naar Gods wil. Niet vanwege het lijden maar door wat het tot gevolg heeft. Daarin heeft Jezus zelf het grote voorbeeld gegeven door vrijwillig het kruis op Zich te nemen. Hebreeën 12:2 zegt daarover: “Laat ons oog daarbij [alleen] gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke voor Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods”. Tegen Zijn discipelen uitte Jezus de waarschuwing: “Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren” (Johannes 15:20). Het is maar dat we er op voorbereid zijn! Ook in de diverse zendingsbrieven wordt hieraan de nodige aandacht besteed. Zoals in de nu volgende teksten:

De uitbreiding van het Koninkrijk Gods door de arbeid van de discipelen bracht de hel in beweging en het lag er lagendik boven op dat er pogingen gedaan zouden worden om die uitbreiding te stoppen. Deze strijd tussen het Koninkrijk Gods en het rijk van de overste van deze wereld gaat nog dagelijks door.

 

Aan de vruchteloosheid onderworpen.

In ieder geval was de apostel Paulus er wel van op de hoogte en daarvan gaf hij blijk in Romeinen 8:18-22: “Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is”. Ook naar aanleiding van deze teksten ben ik getuige geweest van stevige discussies. En daarin ging het dan met name over de vraag wie diegene dan wel zou zijn die de schepping aan de vruchteloosheid heeft onderworpen. Men was nogal eens van mening dat dit Adam moest zijn. Oppervlakkig beschouwd lijkt dat een aannemelijke verklaring maar naast het feit dat daarvoor in de grondtekst geen aanleiding is te vinden lezen we in Genesis 3 onder andere dat God zegt: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw”, “Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap”. Als reactie op de ongehoorzaamheid van de mens greep God zelf in. Door de vloek van de zonde was de mens van zijn Schepper gescheiden en dat mocht in geen geval een eeuwige en onomkeerbare situatie zijn. Doordat God de mens uit de hof van Eden verdreef waardoor de mens geen toegang meer had tot de boom des levens bleef slechts de dood over. En waar de dood koning is, is alles zinloos, nutteloos en vergeefs. Alles wat eindig is, is voor God vergeefs en vruchteloos. Terwijl we daarentegen lezen in Prediker 3:14: “Ik heb ingezien, dat al wat God doet, voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen; en God doet het, opdat men voor Zijn aangezicht vreze”. Alleen wat eeuwig blijft heeft voor God waarde en omdat alleen Zijn maatstaven doorslaggevend zijn kon Paulus in Romeinen 8 getuigen dat de schepping in de huidige situatie, zuchtend onder de vloek van de zonde, door God aan de tijdelijkheid, en daarmee aan de nutteloosheid, is prijsgegeven. Dit beschrijft hij als de “dienstbaarheid aan de vergankelijkheid”. Letterlijk vanuit de grondtekst vertaald staat hier: “de slavernij van het verderf” De schepping is sinds de zondeval in slavernij vervallen. De slavernij van alles wat voorbij gaat, van alles wat vergeefs is, wat nutteloos is en wat zal eindigen in de dood.

Maar daar voegt Paulus aan toe dat dit is gedaan vanuit de hoop dat aan deze vloek een einde gemaakt zal worden. Daar was een keerpunt voor nodig en dat keerpunt was Golgotha. Sinds Jezus' overwinning over de dood kon Hij het Koninkrijk Gods weer opnieuw op deze wereld vestigen. Van dat Koninkrijk was Hij zelf de eerste inwoner. Waarna Hij Zijn discipelen de opdracht gaf om het evangelie van het Koninkrijk Gods verder bekend te maken. Met als uiteindelijk resultaat: het openbaar worden van de zonen Gods. Dat zijn niet de zonen Gods die in het eerste hoofdstuk van het boek Job worden genoemd maar dat zijn die discipelen van Jezus die zullen behoren bij het leger van de ruiter op het witte paard (Jezus). Dit leger trekt in Openbaring 19:19 ten strijde in de laatste en beslissende slag: “En ik zag het beest en de koningen der aarde en hun legerscharen verzameld om de oorlog te voeren tegen Hem, die op het paard zat, en tegen zijn leger”. Pas als in die slag de macht van de overste van deze wereld zal zijn verbroken zal een begin kunnen worden gemaakt met het herstel van de zuchtende schepping. En zal uiteindelijk de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid waar de schepping nu nog onder zucht opgeheven worden. Het is dan ook voor de hand liggend dat er in Rom. 8 sprake is van een reikhalzend verlangen, een met smart uitkijken naar het moment dat deze zonen Gods hun plaats zullen innemen en er uiteindelijk aan al het lijden een einde gemaakt zal kunnen worden.

 

Tot die tijd heeft de mensheid het druk met helemaal niks. Omdat men is overgeleverd aan de vruchteloosheid, aan de zinloosheid en aan alles wat mensen in deze wereld zo belangrijk denken te moeten vinden. Terwijl dat allemaal zo snel weer voorbij vliegt. Zoals het leven zelf. Het is mijn persoonlijke ervaring dat al het nietige gekruimel waar al die heidenen het zo druk mee hebben zo onvoorstelbaar belachelijk en nutteloos blijkt te zijn zodra je begint door te krijgen waar een mensenleven werkelijk om hoort te draaien. Zodra je gaat beseffen wat ook de apostel Johannes had begrepen in 1 Johannes 2:17: “En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid”. Zijn je ogen daarvoor open gegaan dan heb je de boodschap van Jezus' evangelie al aardig door. De boodschap die ons wil duidelijk maken dat dit korte leven slechts een voorbereiding is voor de eeuwigheid en absoluut niets meer dan dat. Dat in Gods ogen daarom alles wat de aandacht van de mens van die eeuwigheid afhoudt van nul en geen waarde is. En zelfs vijandig gezind is tegenover het Koninkrijk Gods. Om welke reden er in Efeze 4:17,18 wordt gewaarschuwd: “Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart”. En in Jacobus 4:4 wordt het als volgt onder woorden gebracht: “Overspeligen, weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God”. Dat liegt er niet om!

In de Psalmen wordt ons verteld hoe dit alles er in Gods ogen uitziet, en wel in Psalm 94:11: “De Here kent de gedachten der mensen: ijdelheid zijn zij”. Met deze wetenschap rondkijkend naar alle verwoede pogingen die mensen kunnen doen om “iets van hun leven te maken” is al dat egocentrische gedrag slechts een bespottelijke en walgelijke vertoning. De jacht naar (vergankelijke!!) roem, naar een “succesvolle” carrière, een eigen huis met garage voor de auto('s), het onvermijdelijke zwembad in de tuin en naar al dat andere waarop de gemiddelde (rijke) zondaar zijn zinnen heeft gezet, het doet me telkens weer denken aan de gelijkenis die Jezus vertelde in Lucas 12:16-21: “Het land van een rijk man had veel opgebracht. En hij overlegde bij zichzelf en zeide: Wat moet ik doen, want ik heb geen ruimte om mijn vruchten te bergen. En hij zeide: Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en ik zal daarin al het koren en al mijn goederen bergen. En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, gij hebt vele goederen liggen, opgetast voor vele jaren, houd rust, eet, drink en wees vrolijk. Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in deze eigen nacht wordt uw ziel van u afgeëist en wat gij gereedgemaakt hebt, voor wie zal het zijn? Zo vergaat het hem, die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God”. Een goede raad van mij: denk over deze gelijkenis eens een poosje na voordat je verder leest.

 

“Zij zullen ook u vervolgen”.

Het zal duidelijk zijn dat het de satan er alles aan is gelegen om het bekend maken van Jezus' evangelie te verhinderen en om zijn eigen rijk daardoor in stand te kunnen houden. Daar bereidde Jezus Zijn discipelen al op voor met de woorden: “Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb: Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen”. Veel verder terug in de tijd werd ook aan de profeet Daniël al bekend gemaakt dat het een harde strijd zou worden voordat de zonen Gods hun eindbestemming zouden bereiken, zo lezen we in Daniël 11:33: “En de verstandigen onder het volk zullen velen tot inzicht brengen, maar zij zullen een tijdlang struikelen door zwaard en vuur, door gevangenschap en beroving”. Wat duidelijk maakt dat het lijden van Christus overvloedig over hen komt. Daarover schreven ook de apostelen in bijvoorbeeld:

Duidelijk?
 

Lijden door ongehoorzaamheid.

Het afwijken van Gods principes, in welke vorm dan ook, heeft onvermijdelijk ellende tot gevolg. En ellende is lijden. Daarom staat de bijbel vol met waarschuwingen tegen het negeren van Gods aanwijzingen en bevelen. Het volk Israël deed in de eeuwen sinds de uittocht uit Egypte niet veel anders dan zich met datgene bezighouden wat voor hun God een gruwel was. Daarvan getuigen al de verslagen in het Oude Testament over de onuitroeibare neiging van de Israëlieten om telkens weer die stomme afgoden achterna te lopen en waarin zij de heidense volken als voorbeeld hadden. De bekeerde heidenen in Corinthe werden door de apostel Paulus nog eens aan hun vroegere wandel herinnerd nadat ze het evangelie van Jezus hadden aangenomen. In 1 Cor. 12:2 schrijft hij: “Gij weet, dat gij, toen gij nog heidenen waart, u blindelings naar de stomme afgoden liet heendrijven”. Het blijft onvoorstelbaar dat een volk zijn God, aan wie het zo veel had te danken, inruilde voor die stomme afgoden van hout en steen. Naast het onontkoombare feit dat door deze afvalligheid de satan greep kreeg op die occulte(!) afgodendienaars, laat de geschiedenis van het volk Israël zien dat ook God zelf meerdere keren ingreep. Door bijvoorbeeld Zijn bescherming weg te nemen waardoor gegarandeerd de vijandig gezinde omringende volkeren telkens weer konden binnenvallen. Getuige bijvoorbeeld de voortdurende strijd met de Filistijnen tijdens de regeringsperioden van koning Saul en zijn opvolger koning David. Met als uiteindelijk dieptepunt de verbanning van de tien stammen door de Assyriërs en de (tijdelijke) ballingschap van de stammen Juda en Benjamin in Babylon. Dit lijden overkwam hen louter als gevolg van hun eigen ongehoorzaamheid. En dat had dus duidelijk niet zo hoeven zijn.

En zoals een vader in zijn recht is wanneer hij, na vastgestelde ongehoorzaamheid, zijn eigen zoon kastijdt, zo had ook onze Schepper het recht aan Zijn kant toen Hij na veel goddeloosheid van het volk te hebben verdragen uiteindelijk liet merken niet eeuwig met Zich te laten sollen. Meer dan eens leert de bijbel ons dat Hij veel geduld met het volk heeft gehad maar dat Zijn zegeningen toch onbeantwoord bleven. Bijvoorbeeld in Jes. 63:8-11: “Hij zeide: Zij zijn toch mijn volk, kinderen, die niet trouweloos worden, en Hij werd hun tot een Verlosser. In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd, en de Engel zijns aangezichts heeft hen gered. In zijn liefde en in zijn mededogen heeft Hij zelf hen verlost en Hij hief hen op en droeg hen al de dagen van ouds. Maar zij waren wederspannig en bedroefden zijn Heilige Geest; daarom veranderde Hij voor hen in een vijand. Hij zelf streed tegen hen”. Let wel, hier staat zelfs: “In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd”. In Zijn mededogen trok Hij Zich het lot van Zijn volk zeer aan en heeft Hij ondanks alles veel geduld gehad met dat afvallige volk. Zoals we zien staan in Jesaja 65:1-4: “Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vinden voor hen die Mij niet zochten; Ik zeide tot een volk dat mijn naam niet aanriep: Hier ben Ik, hier ben Ik. De ganse dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig volk, dat volgens eigen overleggingen wandelde op een weg, die niet goed is; een volk, dat Mij bestendig openlijk krenkt door te offeren in de hoven en offers te ontsteken op de tichelstenen; die in de graven zitten en op verborgen plaatsen overnachten; die vlees van zwijnen eten en in wier vaatwerk verfoeilijk voedsel is”. Een verdere uitleg lijkt me hier niet nodig.

 

Houdt vast aan de tucht.

De vele waarschuwingen aan het volk Israël haalden keer op keer niets uit. Zodat Jezus moest vaststellen in Matthéüs 13:15: “want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen”. Wie niet eenzelfde lot wil ondergaan zal de waarschuwingen die de bijbel geeft ter harte moeten nemen. Enkele daarvan zijn:

  1. Hebr. 12:4-11: “Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde, en gij hebt de vermaning vergeten, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon die Hij aanneemt. Als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? Blijft gij echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijt gij bastaards, en geen zonen. Voorts, de tuchtiging van onze vaders naar het vlees hebben wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven? Want zij hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar Hij doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid. Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid”.
  2. Spreuken 3:11,12: “Veracht, mijn zoon, de tuchtiging des Heren niet en keer u niet met weerzin af van zijn bestraffing. Want de Here bestraft wie Hij liefheeft, ja, gelijk een vader een zoon, aan wie hij welgevallen heeft”.
  3. Spreuken 4:13: “Houd vast aan de tucht, laat haar niet los, bewaar haar, want zij is uw leven”.
  4. 2 Cor. 7:8-11: “Want al heb ik u door mijn brief bedroefd, ik heb er geen spijt van. Mocht ik er spijt van gehad hebben, ik zie, dat die brief u, indien al, dan toch slechts tijdelijk bedroefd heeft; thans verblijdt het mij, niet, dat gij bedroefd zijt geworden, maar dat de droefheid u tot inkeer heeft gebracht; want gij zijt bedroefd geworden naar Gods wil, zodat gij generlei nadeel van ons hebt geleden. Want de droefheid naar Gods wil brengt onberouwelijke inkeer tot heil, maar de droefheid der wereld brengt de dood. Want zie toch, wat juist deze ervaring van droefheid naar Gods wil u gebracht heeft: welk een ernst, meer nog, verontschuldiging, verontwaardiging, vrees, verlangen, ijver, bestraffing. Gij hebt in allen dele doen blijken, dat gij zuiver stond in deze zaak”.

Wat in de eerste drie verzen wordt benadrukt is de tucht, onmisbaar voor wie gehoorzaamheid wil leren. Tucht is niet in de eerste plaats straf maar wel vermaning en discipline. Wijken wij van de juiste weg af dan zal Gods Heilige Geest ons daarvan willen overtuigen. Zoiets heet opvoeden en zoals we allemaal wel weten komt er van een mens zonder een goede opvoeding niets terecht of zal er achteraf nog akelig veel gecorrigeerd moeten worden om de achterwege gebleven vorming in te halen. Het is dan ook te verwachten dat ook een discipel van Jezus zijn opvoeding zal krijgen. En dat allemaal met als doel: opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid. Het lijden als gevolg van het dienen van Christus is onvermijdelijk in een wereld die nog door de satan wordt beheerst maar... het lijden als gevolg van ons afwijken van Gods wil en aanwijzingen hebben we in eigen hand. En waar dat gebeurt zal er gecorrigeerd moeten worden. Aan dat corrigeren had dus ook de apostel Paulus zijn handen regelmatig vol, zo lezen we in het vierde tekstgedeelte hierboven. Wat mijzelf vooral aanspreekt zijn de woorden: “want gij zijt bedroefd geworden naar Gods wil”. Dat heeft alles te maken met echt berouw en echt berouw wordt door onze God altijd gezien en gehoord. Dikwijls heb ik vastgesteld dat het aan dat echte berouw zo dikwijls ontbreekt zodat ik zag gebeuren dat bepaalde lieden jarenlang met een belast geweten met de rest van de groep mee konden hobbelen maar desondanks in Gods ogen waren afgekeurd. Wat overigens door Jezus zo treffend onder woorden werd gebracht in Openbaring 3:1,2: “En schrijf aan de engel der gemeente te Sardes: Dit zegt Hij, die de zeven Geesten Gods en de zeven sterren heeft: Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, maar gij zijt dood! Wees wakker en versterk het overige, dat dreigde te sterven, want Ik heb geen van uw werken vol bevonden voor mijn God”. Was die waarschuwing ook in deze tijd maar veel vaker te horen! Het zou heel wat ongerechtigheid aan het licht brengen.

 

Gods deel in het lijden.

Een God die het goede en het volkomene wil is geen God die willekeurig het lot van de mens bepaalt, ten goede of ten kwade. Integendeel: het is voor Hem een voortdurende smart om van al deze ellende getuige te moeten zijn. Dat is in het bovenstaande al beklemtoond. Ook in de dagen van Noach was het niet anders, zo vinden we in 1 Petrus 3:18-20: “Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden”. De Schepper toonde Zijn geduld door af te wachten en al wachtend was Hij getuige van de zonden die, zoals Rom. 3:23-26 zegt: “tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren” tot aan de tijd dat Noach zijn ark had afgebouwd. Ook het volk Israël gaf Hem vele jaren later weinig reden tot blijdschap. In het Oude Testament zijn daarvan voorbeelden genoeg te vinden, waaronder dat in Jesaja 30:15: “Want zo zegt de Here Here, de Heilige Israëls: Door bekering en rust zoudt gij verlost worden, in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn; maar gij hebt niet gewild”. Eveneens in het Nieuwe Testament laat Jezus Zijn teleurstelling horen. In Matthéüs 23:37 zegt Hij daarom: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild”.

En toch liet de barmhartige God meer dan eens blijken dat Hij Zich het lot aantrekt van de mens in nood, zelfs als de mens zelf de oorzaak is van de ontstane nood. Zo lezen we bijvoorbeeld in:

 

Dat deze barmhartige God zo dikwijls geen gehoor vond is hemeltergend. We kunnen ons daarom terecht met verbijstering afvragen waarom een verloren zondaar dan toch nog redenen denkt te hebben om die goede en verdraagzame God op een afstand te moeten houden, want die redenen bestaan domweg niet. Ook zijn geweten overtuigt hem daarvan. Zo is de mens geschapen, dit bewustzijn behoort tot onze standaarduitrusting. Een feit dat Paul Washer in de video hiernaast (of hierboven) even uitlegt. Dat de zondige mensheid sinds Jezus' rondgang op aarde desondanks nog steeds aan de enige God geen boodschap heeft is te wijten aan de onwil van de zondige mens. En aan de valse profeten die sinds de eerste discipelen het evangelie hebben vervangen door de leer van Babylon. Die ontwikkeling was echter voorzien, wat blijkt uit onder andere Paulus' waarschuwing in 1 Tim. 4:1-3: “Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers, die in hun eigen geweten gebrandmerkt zijn”. Deze leringen van boze geesten hebben zich achter talloze maskers en vermommingen schuilgehouden en drijven de spot met Gods heiligheid. Deze spot klinkt ook door in de vraag: “Waar was God in Auschwitz?”
Dit doet me weer denken aan wat de apostel Petrus schreef in 2 Petrus 3:3,4: “Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zo, als het van het begin der schepping af geweest is”.

Het is deze spotters ontgaan dat het evangelie dat Jezus aan Zijn discipelen doorgaf hét antwoord is op deze en dergelijke vragen. En dat Jezus door Zijn kruisgang de weg heeft geopend naar een wereld zonder lijden. Wat zo treffend wordt beschreven en uitgelegd in Hebr. 2:14-18: “Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de satan, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren. Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham. Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen”.

Tot het nageslacht van Abraham behoort een ieder die het evangelie van Jezus heeft aangenomen en die er ook naar leeft. Dát is een echte discipel van Jezus, die namelijk door zijn discipelschap behoort tot het echte nageslacht van Abraham. Want toen Jezus Zijn discipelen de opdracht gaf in Matth. 28:19 om al de volken te onderwijzen in Zijn Naam (volgens de oorspronkelijke grondtekst) was dit door Abraham al voorzien. Dit lezen we in Rom. 4:16-18: “Daarom is het alles uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld. Voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept. En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn”.

 

Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?

Voordat Jezus' opdracht aan Zijn discipelen is voltooid zal er nog heel wat bloed vloeien en zal de vervolging van hen die het evangelie van Jezus liefhebben onverminderd doorgaan. Aan die vervolging maakte ook de nog onbekeerde Paulus zich schuldig, totdat hij een ontmoeting met Jezus had. Van deze in de bijbel beschreven ontmoeting zijn voor mij persoonlijk de volgende (vetgedrukte) woorden het meest opmerkelijk: “En terwijl hij daarheen op weg was, geschiedde het, toen hij Damascus naderde, dat hem plotseling licht uit de hemel omstraalde; en ter aarde gevallen, hoorde hij een stem tot zich zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt Gij, Here? En Hij zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt” (Hand. 9:3-5). Hier werd aan Paulus duidelijk gemaakt dat hij in al zijn ijver bezig was om Jezus zelf te vervolgen. Dat betekent dat de gemeente die Paulus zo fanatiek op de hielen zat, verbonden is met de Heer van die gemeente: Jezus Christus. En wie de leden van die gemeente vervolgt en laat lijden, laat Jezus Christus zelf lijden. Zoals een goede vader zich het lijden van zijn eigen kind aantrekt en daar zo mogelijk nog zwaarder onder lijdt dan het kind zelf zo trekt ook Jezus Zich het lot aan van Zijn discipelen en van al diegenen in deze zuchtende schepping die op de één of andere wijze lijden ondergaan. Dus ook Auschwitz is Hem niet ontgaan! Het lot van deze zuchtende schepping gaat niet aan Hem voorbij en om die reden heeft Hij per slot van rekening ook zelf daaraan deel gekregen, zo lazen we in Hebr. 2:14-18, om door middel van Zijn eigen lijden de weg te kunnen zijn die leidt naar een wereld zonder lijden. Even verderop in Hebreeën 4:15 wordt daar nog eens duidelijk de aandacht op gevestigd: “Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze [als wij] is verzocht geweest, doch zonder te zondigen”.

Noch rouw noch geklaag.

Door de groei van Zijn gemeente wordt de nieuwe ark gebouwd. Dankzij deze ark zullen zij die tijdig aan boord wilden gaan de komende zond(e)vloed kunnen overleven, net als Noach en de zijnen destijds de toenmalige zondvloed konden overleven dankzij de gehoorzaamheid van Noach. Die, tegen alle menselijke logica in, door bleef bouwen aan zijn schip op het droge. Er zal nog heel wat strijd geleverd moeten worden voordat de overste van deze wereld, de satan, definitief verdreven zal zijn waarna het herstel van de geschonden schepping kan beginnen. Dat legt een enorm zware verantwoordelijkheid op de schouders van hen die met het evangelie bekend zijn want door hun inspanning zal de gemeente, de nieuwe ark, gebouwd worden. Omdat de Heer van de schepping terecht kon zeggen: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde”, heeft Hij ook telkens weer het laatste woord. En zal Zijn opdracht aan de discipelen voltooid worden. Maar nu is Hij nog: “afwachtende, totdat Zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten” (Hebreeën 10:13). Daarom zullen zij die zich geroepen weten om de gemeente van Jezus te dienen ernst moeten maken met die taak. Zodat uiteindelijk, na alle gedane arbeid, Gods schepping zal bevrijd zijn van de terreur van de satan.

 
Tot slot:
“En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw (Openbaring 21:3-5).

Stel God dus geen vragen meer over alle ellende in de wereld. De antwoorden daarop heeft de mensheid al eeuwen geleden van Hem gekregen. Blijven wij ondanks dat toch met een verwijtende blik naar de hemel staren of zijn we bereid om ook zelf een aandeel te leveren aan die vernieuwde wereld zonder lijden?

Spreuk:
Stel God geen vragen over alle ellende in de wereld. De antwoorden
daarop heeft de mensheid al eeuwen geleden van Hem gekregen.


 
 
 

P.S.
Mocht je de inhoud van deze pagina op een meer conventionele manier onder de aandacht van andere belangstellenden willen brengen, wees dan zo vrij en print deze pagina. Of wellicht blijf je liever de digitale weg bewandelen maar dan wel in een andere taal. In dat geval kun je (een deel van) deze pagina laten vertalen op https://translate.google.com waar je de gewenste taal kunt uitkiezen. Echter: controleer wel het resultaat want de techniek van het online vertalen is ondertussen weliswaar sterk verbeterd maar nog zeker niet volmaakt.

Bronvermelding